Badis Badis Bengalensis (Bengaals Vuurtje) (Dario Dario / Badis Badis Bengalensis)


De Dario dario is een kleine tropische zoetwatervis van zo’n 2 tot 2,5 centimeter (maximale grootte 3 centimeter) en valt onder de familie van de Nandidae, de Nanderbaarzen. Hij komt oorspronkelijk voor in de wateren rondom India, met name in het gebied van Bengalen en Bangladesh (Azië). Hij leeft daar in heldere beekjes met een zwakke tot matige stroming. De naam Dario dario is vrij nieuw. Een oudere benaming van het visje is Badis badis bengalensis. Vanwege zijn afkomst en zijn opvallende kleur wordt hij in het Nederlands ook wel eens Bengaals Vuurtje en in het Engels Scarlet badis genoemd.

Aquarium

De meest ideale leefsituatie voor de Dario dario is een groep bestaande uit acht tot tien vissen. Deze groep kan dan het beste gehouden worden in een dicht beplant aquarium van ten minste 60x30x30 centimeter. Kiest men voor een kleinere harem bestaande uit één mannetje vergezeld door twee à drie vrouwtjes, is een aquarium vanaf 40 centimeter al geschikt. Het mannetje verdedigt een territorium, bij meerdere mannetjes in een dergelijke kleine bak zal het zwakste mannetje uiteindelijk wegkwijnen. Omdat het mannetje territoriaal gedrag vertoont, zijn naast de dichte beplanting territoriummarkeringen in de vorm van steen of hout ook van belang. Toch is het een rustig visje dat goed te houden is met andere kleine, rustige vissoorten. Om het natuurlijke gedrag van de Dario dario tot zijn recht te laten komen en te observeren verdient het echter de voorkeur de Dario dario in een speciaalaquarium te houden. De Dario dario stelt weinig bijzondere eisen aan het water. Het is echter een tropische vis dat het beste gehouden kan worden bij een temperatuur van 22-26 graden. Een pH tussen de 6,0 en 7,5 is aanbevolen en een GH tussen de 5-10 graden wordt op prijs gesteld, evenals een zwakke stroming. Omdat het visje vrij gevoelig is voor vervuiling, is het raadzaam het water regelmatig te verversen.


Geslachtsonderscheid

De basiskleur van de Dario dario is in principe zilver-turquoise. Op deze ondergrond kan men bij de mannetjes scharlakenrode loodrechte strepen op het lijfje waarnemen. Rug-, aars- en staartvinnen zijn eveneens rood gekleurd. De voorste stralen van de buikvinnen kunnen met name bij de iets oudere en dominantere mannetjes sterk verlengd zijn. Het voorste gedeelte van de stralen is helblauw tot wit van kleur, daarachter volgt zwart. Het vrouwtje is wat eenvoudiger en grijzer van kleur. Op deze basiskleur kunnen echter wel donkergrijze, loodrechte strepen zichtbaar worden, evenals een groenige gloed. Het vrouwtje is dan bereid tot paren. Bij het vrouwtje zijn de buikvinnen nagenoeg wit met een zwarte zoom, maar niet zo intensief gekleurd als bij het mannetje. Ook zijn de voorste vinstralen niet verlengd. De overige vinnen zijn nagenoeg kleurloos. Hoewel het er nu wellicht op lijkt dat het geslacht van de vissen gemakkelijk te onderscheiden zou moeten zijn, heeft het echter wel wat meer voeten in de aarde. De vissen zijn bij verkoop vaak nog zeer jong, waardoor sommige kenmerken, zoals de uitgegroeide vinstralen, vervallen. Ook zijn de jonge mannetjes dan vaak nog geheel grijs van kleur, net als de vrouwtjes. Af en toe kan men nog vaag wat rode en turqoise schakeringen op het lijfje ontdekken, maar daar blijft het dan ook bij. Von Kullander en Britz gaven in 2002 nog een ander, ingewikkelder manier om het geslacht te onderscheiden: de bouw van het mannetje zou concaaf (holrond) of recht zijn, terwijl het vrouwtje een bolronde vorm heeft. Het vrouwtje heeft ook een iets groter kopje dan het mannetje, terwijl zij wel weer zo’n halve centimeter kleiner wordt dan het mannetje. Maar vooral bij jonge dieren blijft geslachtsonderscheid moeilijk!


Kweek

De kweek van de Dario dario is vrij gemakkelijk onder de juiste omstandigheden, zoals die boven genoemd zijn. Verder zullen de vissen eerder geneigd zijn tot paring over te gaan wanneer ze gevoerd worden met voedsel dat veel vetten bevat. Sterker nog: ze zullen pas tot paring overgaan als ze net hun buikje hebben volgegeten. Het baltsgedrag van het mannetje doet sterk aan die van het Elassoma-mannetje denken: het vormelijke dansen en lokken voor het vrouwtje, door steeds vlug af en aan te zwemmen, het vernauwen en dan weer uitspreiden van rug- en aarsvinnen en het afwisselend in- en uitklappen van de borstvinnen geeft een leuk aangezicht. Wanneer de versierpoging zijn vruchten heeft afgeworpen, zoekt het vrouwtje de meest geschikte plek om te paren uit, waarop het mannetje haar volgt. Voor de paring worden planten met een fijne bladerstructuur op prijs gesteld, zoals bijvoorbeeld Javamos. Tijdens de paring ‘omhelst’ het mannetje het vrouwtje als het ware, waarbij het vrouwtje één of een paar eitjes afzet. De Dario dario kent geen broedzorg en het legsel wordt niet direct verdedigd, maar omdat het legsel zich vaak in het territorium van het mannetje bevindt, zal deze wel de andere vissen verjagen. Het territorium is slechts klein en bij het verdedigen wordt weinig échte schade aangericht door de vissen, door hun geringe grootte. Na een dag of drie, vier komen er maximaal drie eitjes uit. De rest van het legsel zal beschimmelen. De twee à drie net uit het ei gekomen jongen zijn in eerste instantie zeer klein en verblijven op de bodem van het aquarium. Na ongeveer een dag of twee zullen zij de bodem stilletjes aan gaan verlaten en wat meer rondzwemmen. De groei op infuus is in de eerste paar dagen gering, maar zodra de jongen artemia aankunnen, gaat het allemaal wat sneller. Wil men succes in de kweek bereiken, dan kan men de jongen het beste apart onderbrengen. Een manier om dit te doen is door de jongen bij water overhevelen op te zuigen en in een kweekaquarium op te vangen. Natuurlijk kan men ook een kweekbak inrichten voor de ouders en deze uitvangen zodra de jongen zijn uitgekomen. Wil men het vissenbestand echter beperkt houden, kan men er ook voor kiezen de jongen in het moederaquarium te houden, ze zullen het dan niet alle overleven.


Voedsel

Van nature is de Dario dario een echte rover. Hij eet bijna alle gangbare soorten klein levend voer, zoals de rode en witte muggenlarven, cyclops, watervlooien en artemia-naupliën. Tubifex vinden ze ook lekker, maar hou er rekening mee dat de wormpjes sneller kunnen zijn dan de vissen en ze tussen het grind kunnen verdwijnen, alwaar ze gaan rotten. Diepvriesvoer wordt na enige gewenning eveneens geaccepteerd. Ook waagt het visje zich wel eens aan fijn vlokvoer.





Geschreven door MadGuy.
Je kunt op ons forum reageren op dit artikel.